19/08/2026
231 dagen. Zo lang zit ik dit jaar al thuis. (En nee, dat is geen Netflix-serie die ik heb gebinged… al voelt het soms wel zo.)
Het begon met een hernia die uitmondde in het caudasyndroom. Daarna kwam de spoedoperatie. Vervolgens het herstel en alles wat daarbij kwam kijken. En toen kreeg ik ook nog de diagnose FNS. Steeds was er een reden waarom ik thuis moest blijven. Eerst omdat het lichamelijk niet ging, daarna omdat ik moest herstellen en nu… nu zit ik vooral te wachten.
Te wachten tot mijn man thuiskomt. Tot we samen iets kunnen doen. Tot er weer een afspraak is. Tot er een reden is om de deur uit te gaan. Mijn agenda is tegenwoordig zo spannend als een lege koelkast: veel wit, weinig inhoud.
En gek genoeg merk ik dat dát inmiddels misschien wel het zwaarste is.
Niet eens alleen het lichamelijk beperkt zijn, maar het gevoel dat mijn dagen zo leeg zijn geworden. Dat ik soms uren alleen thuis zit en denk: wat moet ik vandaag eigenlijk doen? (Antwoord: weer een rondje door huis lopen alsof ik een bezorgde huisbaas ben.)
Gisteren had ik bij Heliomare een gesprek met de maatschappelijk werker. Ik vertelde dat ik eigenlijk heel graag wat meer onder de mensen zou willen zijn. Gewoon eens ergens naartoe. Een kop koffie drinken. Een stukje wandelen. Even naar de winkel of ergens lunchen. Of gewoon iemand die bij mij thuis een bakkie komt doen — zonder dat ik eerst drie weken van tevoren een “afspraak inplanningsproces” hoef te doorlopen.
Maar daar zit meteen mijn volgende probleem.
Ik vraag het niet.
Niet aan een vriendin. Niet aan iemand anders.
Want ergens in mijn hoofd zit de gedachte: ze hebben hun eigen leven. Waarom zouden ze nou speciaal bij mij langs willen komen? Misschien vinden ze me eigenlijk wel saai. Misschien zitten ze helemaal niet op mij te wachten. (Mijn brein is soms net een slechte PR-manager.)
En dus vraag ik het niet.
Daarmee ontstaat er een soort cirkel. Ik ben alleen, omdat ik niemand vraag om te komen. En omdat ik niemand vraag, heb ik nog meer het gevoel dat niemand wil komen. Een soort “ik bel niet dus niemand belt mij”-situatie, maar dan in het groot.
Daarom gaat de maatschappelijk werker nu voor mij op zoek naar een vrijwilliger. En eerlijk gezegd vind ik dat eigenlijk helemaal niet zo erg. Misschien is dat juist een eerste stap. Iemand die niet uit medelijden komt, niet omdat het moet, maar gewoon omdat het de bedoeling is dat we samen iets gaan doen. En hopelijk iemand die niet schrikt van mijn soms wat te enthousiaste “ik heb vandaag al drie dingen gedaan!”-updates.
Want ik hoef misschien helemaal niet iedere dag iets groots.
Ik wil gewoon weer het gevoel hebben dat mijn leven niet bestaat uit wachten tot iemand thuiskomt.
231 dagen thuis heeft me laten zien hoe belangrijk het is om mensen om je heen te hebben. Niet alleen wanneer het slecht met je gaat, maar juist ook op de gewone dagen.
Een bakkie koffie. Een wandeling. Even ergens heen. Een beetje kletsen.
Misschien klinkt het klein.
Maar op dit moment zou het voor mij een heel groot verschil maken...