07/06/2022
Hij zit op pianoles, elke woensdagmiddag, een uurtje. En eigenlijk doet hij dat graag, én goed.
Maar elke keer is het weer hetzelfde liedje: hij krijgt een nieuw werk om te spelen, eentje dat moeilijk lijkt (of is). Hij stelt het daarom uit om er aan te beginnen, want eigenlijk weet hij niet goed hoe dat moet. Hij laat de partituur in zijn tas zitten. Hij speelt duchtig de werken die hij wél al kent. Op woensdag, voor vertrek naar de les, een duidelijke ongerustheid. 'Juf gaat niet content zijn'.
Na een aantal weken wordt op dinsdagavond dan toch de nieuwe partituur uit de tas gevist om er welgeteld 35 seconden naar te kijken en daarna in tranen uit te barsten. 'Dit ga ik nooit kunnen', 'dit is veel te moeilijk voor mij', 'mijn juffrouw gaat zó boos zijn', ...
Uiteindelijk, na tussenkomst van mama, bedaart hij. Het werk wordt in stukjes gekapt: eerst de eerste twee maten. Eerst rechterhand, dan linkerhand. Na dat uurtje werken, kent hij de eerste acht maten al min of meer, en heeft hij de moed gevonden om ook de rest aan te pakken. Twee weken later kan hij het werk doorspelen en nog zes weken later kent hij het zo goed dat hij het zonder partituur speelt ...
Het is een stressvolle ervaring, maar fantastische les, telkens weer. Telkens weer beseft hij dat de paniek voordien hem tegenhoudt om te schitteren. En dat hij er beter gewoon aan begint. Dat als hij een groot probleem ziet, hij dat kan aanpakken door het in kleine stukjes te hakken. Hij leert dat oefenen loont. En dat je beter wordt net door iets aan te pakken dat origineel erg lastig lijkt ... En hoe trots je je kan voelen als het lukt.
Hoe goed het ook is dat hij het in de pianoles leert, het blijft erg jammer dat hij deze lessen mist in de 'gewone dagschool'. Want éigenlijk draait school niet om het leren van de kleuren, van de cijfers en de letters en wat het voltooid deelwoord is of hoe een parallellogram eruit ziet. School gaat er vooral om dat je leert dat als iets moeilijk lijkt, dat je er best gewoon tóch aan begint. Dat je die moeilijke taak het beste in stukjes kan kappen en die stukjes één per één kan aanpakken. Dat oefenen loont. Dat je beter wordt als je oefent, en gewoon de taak aanpakt. Dat het OK is dat het niet in 1 keer lukt.
Taakinitiatie, volgehouden aandacht, strategieën om iets aan te pakken, ... dáár gaat school om. Of zou het moeten om gaan.
Dat hoort een kind te leren vanaf de kleuterklas. Niet in grote partituren waar je 8 weken zal over doen. Wel in kleine, alledaagse dingetjes: de jas bij het juiste symbooltje ophangen, de vraag van de juf kunnen beantwoorden, die rekenoefening - die eerst moeilijk leek - opgelost krijgen ... Die dingen die eerst onmogelijk leken en tóch lukten (lees: werken in de zone van naaste ontwikkeling). Dat laat een kind groeien.
En dat ontbreekt net heel vaak bij hoogbegaafde kinderen. Als de taakjes telkens 'simpel' zijn, als je zelden een taak krijgt waar je je even voor moet inspannen, waar je even die lichte paniek voelde van: 'hoe moet dit?', ... Dan krijg je ook die ervaringen niet mee die net bedoeld zijn.
Het zijn ook net die kleine, alledaagse dingetjes die ervoor zorgen dat je je goed gaat voelen over jezelf. Kleine succeservaringen doen je zelfvertrouwen toenemen. Hij blonk toen hij het 'onmogelijke' nummer speelde vorige week op zijn examen. Jammer dat hij niet geleerd heeft om elke dag een klein beetje te schijnen in het werk van elke dag ...